Werkgroep Poicephalus Patrick Vlyminckx
Frans : Perroquet de Rüppel
Duits :
Rüppelspapagei
Engels :
Rüppel’s parrot
De
ruppelpapegaai is volgens kwekers de vriendelijkste en de levenslustigste onder
de poicephalussoorten ! Het is trouwens
een heel bijzondere papegaai : man en pop zijn van verschillend pluimage. We noemen dat seksueel dimorfisch. Sterker nog is dat de pop mooier gekleurd is
dan de man, iets wat bij papegaaien absoluut een grote uitzondering is!
Mannetjes zijn volledig donker grijs gekleurd; zonder zijn fel gele vleugelboeg en de geeloranje ‘sokken’ zou je deze kleine papegaai (ongeveer 22 à 23cm) nauwelijks zien zitten in zijn natuurlijke omgeving.
De pop ziet er bijna het zelfde uit maar onderscheidt zich door (fel) kobaltblauwe stuitveren en een iets matter gekleurde blauwe onderstaart. In het mei nummer van Parkieten-revue was reeds een mooie foto van een ruppel paartje te bewonderen !
Omdat ze in vergelijking met de andere soorten van de poicephalus familie vrij sober gekleurd zijn (vooral de man dan) was er vroeger weinig vraag naar deze vogels. Ze werden dan ook maar sporadisch ingevoerd, hooguit als ‘vervollediging’ van een incomplete zending ! Daardoor zijn het altijd wel relatief dure papegaaitjes gebleven en mede ook door het feit dat er met de vroegere import vogels moeilijk te kweken viel. Eigenaardig is ook dat mannen duurder uitvallen dan poppen, er is echt moeilijk aan te komen !
Maar er is ook goed nieuws : je hoeft je echt niets aan te trekken van de ondersoorten, want die bestaan niet ! Van een gemakkelijke vogel gesproken …
Geslachtsonderscheid
Zoals hoger reeds vermeld is er een duidelijk geslachtsonderscheid tussen volwassen mannen en poppen, zodat endoscopische of DNA seksebepaling niet noodzakelijk is… tenzij je niet wil wachten tot de jonge vogels 14 à 15 maanden oud zijn. Voor die tijd lijken alle jonge vogels op de pop maar vanaf dan verliezen de jonge mannetjes hun mooie blauwe veren en blijft er hooguit hier en daar nog een blauw zoompje aan enkele onderstaartveren over.
Volgens sommige kwekers zouden de jonge poppen iets intenser van (blauwe) kleur zijn, maar het verschil is subtiel te noemen. Zeer uitzonderlijk vertonen jonge vogels na de geboorte een grijze V zoals senegalpapegaaien, maar dan afgerond, met daaronder een gele buik die reikt tot aan de blauwe onderstaart. Dit is beslist géén mutatie ! Al het geel transformeert tot grijs na enige ruibeurten ! Op www.feathert.com vind je een mooi voorbeeld daarvan.
Biotoop
De ruppelpapegaai vinden we meestal langs rivieroevers of in hoge boomtoppen van moeilijk toegankelijke bossen van Namibië en zuidwest Angola. Eigenlijk is er bijzonder weinig geweten over de ruppelpapegaai in het wild. Enerzijds komt dat door het feit dat hij slechts spaarzaam voorkomt in een uitgestrekt gebied, dat zeer dun bevolkt is en waardoor er dus weinig waarnemingen zijn. Bovendien is de vogel vrij klein, donker grijs gekleurd en schuw van aard. Er is dan ook een flinke dosis geluk nodig om hem in het wild te kunnen observeren. Volgens schattingen zouden er nog slechts een 9000 overblijven in hun oorspronkelijk leefgebied –behoorlijk weinig dus- en reden te meer om de in gevangenschap gehouden ruppels voor de kweek in te zetten !
In het wild zou een aanzienlijk deel van het menu bestaan uit kevers, larven en vliegen, iets waaraan we best ook aandacht besteden bij kweekpogingen in onze volières. Voor het overige voeden zij zich voor het grootste deel met granen en vruchten, zaden van bomen en wilde vijgen.
Huisvesting en verzorging
De huisvesting is gelijkaardig als voor de andere poicephalussoorten : liefst een metalen constructie met stevige draad, hoewel ruppels eerder de naam hebben om zich nogal respectvol te gedragen tegenover hun onderkomen ! Het zijn geen overdreven knagers en ze gaan heel verfijnd om met het hun aangeboden voedsel … propere beestjes vergeleken bij sommige andere leden van de poicephalusfamilie …
Ideaal is een volière met een lengte van minimaal
Voeding
De voeding verschilt maar weinig van de andere kleine poicephalussoorten (zie onze eerdere artikels van de werkgroep poicephalus). Ruppels zouden een iets proteïnerijker dieet mogen voorgeschoteld krijgen aangezien zij in het wild kevers, larven en vliegen ook niet versmaden !
De kweek
Met de oorspronkelijke schuwe import vogels was erg moeilijk te kweken. Ze hadden echt een maximum aan privacy nodig zonder enige verstoring. De kooien moesten bijna volledig afgedekt worden om tot broedresultaten te komen in het halfduister.
De jonge vogels die dan geboren werden, overleden eigenaardig genoeg na circa 14 dagen… Na onderzoek is gebleken dat het verteringssysteem van de jonge ruppels in de eerste 2 weken slechts afgestemd was op proteïnerijk dierlijk voedsel (kevers, larven …) dat makkelijk te verteren was. De moeilijker verteerbare zaden en granen worden pas op iets latere leeftijd verteerd.
De nakweek vogels blijken aanzienlijk minder schuw en gevoelig te zijn en in de praktijk klikt het ook gemakkelijker tussen een man en een pop dan bij de bonte boeren bijvoorbeeld. Daar waar de wildvang exemplaren een speciale voorkeur hadden voor schuin opgehangen broedblokken (30° schuin) accepteren de nakweek ruppels ook de traditionele verticale broedblokken. Voorzie ruimschoots knaagmateriaal in het blok, want daar heeft de pop blijkbaar behoefte aan, ook tijdens het broeden !
Doorgaans worden 3 à 4 eieren
gelegd, uitzonderlijk 5, die door de pop alleen 24 tot 27 dagen worden bebroed
(gerekend vanaf het 2° gelegde ei, want dan start het broeden pas echt) Hoewel de man niet mee broedt, zit hij toch
veelvuldig in het blok in die periode.
De jongen kunnen na iets meer dan 2 weken geringd worden met een
Hopelijk worden de jongen daarna ingezet door de kweker of minstens te koop aangeboden, bij voorkeur via de werkgroep Poicephalus teneinde te voorkomen dat de jongen hun verdere leven moeten slijten in de huiskamer !