Poicephalus Meyeri of meyerpapegaai
Frans: Perroquet meyer
Duits: Goldbugpapagei
Engels: Meyer’s parrot
De meyerpapegaai komt
redelijk veel voor in onze volieres maar toch iets minder dan de senegal
papegaai. De vraag is in ieder geval nog
steeds groter dan het aanbod. Zeker de
poppen zijn in de minderheid. Zo werd ons onlangs het verhaal verteld van een
nederlandse kweker die uit 2 koppels in 1 jaar tijd 12 jongen kweekte (wat een
heel mooi resultaat is) doch waarbij er slechts één popje werd gekweekt! Bij andere koppels kan de verhouding
natuurlijk heel anders liggen maar men mag over het algemeen heel tevreden zijn
als ¼ van de jongen poppen zijn…
Beschrijving
De meyerpapegaai kan je
beschrijven als een donkere vogel die enkele opvallende vederdelen heeft. Enkele ondersoorten hebben een opvallend gele
pet op de kop. Anderen missen het geel
op de kop. De schouders en dijen zijn
bij iedere ondersoort geel maar dit kan sterk variëren in hoeveelheid. De stuit varieert van licht blauw tot
uitgesproken helder blauw. Slechts één ondersoort heeft een groene stuit. De buikkleur bezorgt de meeste kwekers
kopzorgen omdat het heel moeilijk is om twee min of meer gelijke vogels te vinden. De ondersoorten zijn ook het beste te
onderscheiden via de buikkleur en het geel op de kop. De meeste jongen worden geboren zonder geel
op de kop en met groene of blauwe (naargelang de ondersoort) zomen aan de
vleugeldekveren. Het geel op de kop
vermeerdert bij iedere volgende ruibeurt tot de vogel echt volwassen is. De ondersoorten van de meyer zijn via de
buikkleur evenwichtig op te delen in 3 groene en 3 blauwe varianten. Deze 2 groepen zijn ook te onderscheiden aan
het geel aan de onderkant van de vleugels.
De blauwe groep heeft veel geel die soms de hele onderkant
bestrijkt. De groene groep heeft veel
minder geel dat soms enkel voorkomt aan de onderkant van de elleboog.
Geslachtsonderscheid
De geslachten zijn niet van
elkaar te onderscheiden zodat DNA of endoscopisch seken nodig is. De mannetjes
kunnen wel wat forser zijn maar dit geeft nooit met zekerheid uitsluitsel
omtrent het geslacht.
Groene groep:
· Meyeri meyeri: de
nominaat is, met zijn 21 cm., de kleinste ondersoort. De borst kleur is groen
met (soms) een lichte grauwe aanslag. Het is niet zo dat ze een blauwgroene
buikkleur hebben zoals in vele artikels staat. Het geel op de kop bereikt de
huid boven de snavel niet. Ook is de
grondkleur vrij donker tot grijszwart.
De stuit is helder blauw. In advertenties
zien we vaak dat er meyeri meyeri worden aangeboden. Bij onderzoek blijkt dat er geen meldingen
zijn van importen uit het verspreidingsgebied van deze ondersoort. Daaruit kunnen we afleiden dat de nominaat
niet of nauwelijks voorhanden is. Wel kan het zijn dat er enkele vogels uit
Zuid-Afrika bij privé-zendingen zijn binnengekomen. De vogels die op de
ondersoort lijken zijn dan meestal kruisingen tussen matchiei en saturatus.
Deze zijn dan ook groter dan de 21 cm die de nominaat heeft.
· Meyeri saturatus:
deze ondersoort is veelvuldig ingevoerd geweest maar men dacht dat het ging om
poppen van de Matchei. Hierdoor zijn veel ‘koppels’ gevormd … maar ze kweekten
niet omdat dat men soms met gelijke geslachten te doen had. Hierdoor hebben de meyers een tijd lang een
slechte naam gehad qua broedgedrag!
Deze ondersoort onderscheidt zich van de nominaat door zijn zuiver
groene buikkleur die in het zonlicht een gele aanslag gaat vertonen. Het geel op de kop reikt meestal tot aan de
bovensnavel. Ook is de ondersoort iets
groter (23 cm) dan de nominaat. De
grondkleur is bruin. Het grote verschil tussen
saturatus en de nominaat is de stuitkleur.
Bij deze is de stuit groen zonder enig teken van blauw.
· Meyeri reichenowi:
met zijn 24-25 cm de grootste ondersoort van alle meyers. Ze hebben een groene
buik die een licht blauwe aanslag kan hebben. Het opvallendste onderscheid is
dat deze ondersoort absoluut geen geel
heeft op de kop. De grondkleur is
ongeveer gelijk aan saturatus en is bruingrijs.
· Meyeri matchiei:
dit waren de zogezegde mannen bij de eerste import. Deze ondersoort
onderscheidt zich met een diep blauwe buik. Het blauw reikt tot op de dijen.
Het geel op de kop reikt tot tegen de bovensnavel al kan dit individueel
verschillen. Deze ondersoort meet ongeveer 23 cm. De grondkleur is grijszwart.
· Meyeri
transvaalensis: deze ondersoort heeft een fijn geel streepje over de kop van
het ene oog naar het andere. Dit bandje lijkt op een potloodstreep die maximum
5 mm breed is. De buik is blauw maar iets lichter dan matchiei. De grondkleur
is grijsbruin.
· Meyeri
damarensis: is te vergelijken met reichenowi maar heeft een blauwe buik. Deze ondersoort heeft eveneens geen geel op
de kop. De grondkleur is vrij donker,
donkergrijs tot zwart. Hij meet ongeveer 23 cm.
Biotoop
De meyerpapegaai heeft het
grootste verspreidingsgebied van alle poicephalussen. Ze betrekken de hoogtes, meestal vanaf 500
meter tot meer dan 1500 meter boven zeeniveau.
Ze verkiezen de randgebieden van de savanne en dicht bosgebied. Ze komen meestal voor in specifieke
boomsoorten (Faidherbia albida, Adansonia digitata en Tamarindus indica) waar
ze vermoedelijk ook hun voedsel vinden.
De laatste aangegeven boomsoort draagt peulachtige vruchten. Ook eten ze gras en onkruidzaden,
fruitsoorten, vijgen, noten, bessen en granen. Ze pikken ook wel eens een
insect mee als aanvulling van dierlijke eiwitten. Ze foerageren meestal in
kleine groepen van 20 tot 30 individuen.
Kweek
In theorie moet de meyer 4-5
jaar zijn om te kweken. Door de
domesticatie is het soms mogelijk na 3 jaar.
Dit is niet altijd de regel en soms duurt het langer. Er zijn
uitzonderingen bekend van 2 jaar.
Meestal gebeurt dit bij jonge
vogels die gekoppeld werden aan oudere
partners (vb. 2 jarige pop met een 6 jarige man). Indien man en pop te jong
zijn en toch eitjes hebben zijn deze meestal onbevrucht.
De nestkasten worden meestal
goed aanvaard. Zowel L-vormige als verticale, maar ook horizontale
blokken worden met succes gebruikt. Daar
de meeste meyers in broedkooien zijn gehuisvest hebben ze meestal zelf gemaakte
blokken tot hun beschikking. Een
natuurstam kan ook gebruikt worden, maar die is doorgaans minder handig voor
inspectie in kweekkooien.
Een legsel bestaat meestal
uit 3-4 eitjes. Oudere volwassen paren kunnen 5 eitjes hebben. Een eerste
nestje is dikwijls onbevrucht of heeft 1 goed eitje. Op meer volwassen leeftijd
lukt dat doorgaans beter en een volledig nestje van 4 bevruchte eitjes is dan
geen uitzondering. De meeste paren zijn
goede ouders. Uitzonderlijk kan het wel
eens voorkomen dat de jongen niet gevoerd worden. Meestal gaat het hier dan om
jonge oudervogels die ervaring missen.
Bij ervaren paren die het al meerdere keren tot een goed einde hebben
gebracht kan het voorkomen dat de jongen verminkt worden met de dood tot
gevolg. De reden hiervoor is niemand
bekend. Latere nestjes kunnen dan wel
weer probleemloos grootgebracht worden…
De pop broed alleen. Het broeden duurt 24 tot 27 dagen. Dit afhankelijk van de intensiviteit waarmee
de pop broed. Het is niet onwaarschijnlijk
dat ook weersfactoren hier hun rol in spelen.
De jongen worden blind geboren met grijs dons. De eerste weken worden ze gevoerd door de
pop. Zij wordt op haar beurt gevoerd
door de man. Na enkele weken worden de
jongen mee gevoerd door de man. Wanneer de oogjes openen kun je de jongen
ringen met een 7mm ring.
Appel is een favoriet voedsel
dat gretig wordt opgenomen wanneer er jongen zijn. Een goed afwisselend fruitmengsel, aangevuld
met eivoer biedt de ouders de mogelijkheid hun jongen goed groot te brengen. De jongen vliegen uit na 9 à 10 weken en zijn na 12 tot 14 weken
zelfstandig. In de kweekperiode kunnen
de oudervogels best agressief zijn tegenover de verzorger.
De Meyer voorvader van
alle Poicephalussen ?
Er wordt wel eens gezegd dat
de meyerpapegaai de stichter en voorvader is van alle kleine poicephaluspapegaaien. Als we dit nader onderzoeken, dan zien we dat
zijn verspreidingsgebied inderdaad centraal ligt. Alle soorten liggen
aangrenzend of overlappend aan dit gebied.
Qua uiterlijk kunnen we grove gelijkennissen zien met de ruppel- en
roodbuikpapegaai. In mindere mate met de
senegal- en bruinkoppapegaai.
Waarschijnlijk zijn de afzonderlijke soorten doorheen x aantal
generaties, in een ander leefgebied en met ander voedsel zich gaan
onderscheiden in kleur. De link met de
jardine en kaapse papegaaien is niet direct uiterlijk merkbaar. Wetenschappers hebben ze wel ingedeeld in
dezelfde familie door de gelijkenissen in hun DNA structuur.