Poicephalus Meyeri of meyerpapegaai 

Werkgroep Poicephalus                                          Carl Vandenabeele

 


Frans: Perroquet meyer

Duits: Goldbugpapagei

Engels: Meyer’s parrot

De meyerpapegaai komt redelijk veel voor in onze volieres maar toch iets minder dan de senegal papegaai.  De vraag is in ieder geval nog steeds groter dan het aanbod.  Zeker de poppen zijn in de minderheid. Zo werd ons onlangs het verhaal verteld van een nederlandse kweker die uit 2 koppels in 1 jaar tijd 12 jongen kweekte (wat een heel mooi resultaat is) doch waarbij er slechts één popje werd gekweekt!  Bij andere koppels kan de verhouding natuurlijk heel anders liggen maar men mag over het algemeen heel tevreden zijn als ¼ van de jongen poppen zijn…

Beschrijving

De meyerpapegaai kan je beschrijven als een donkere vogel die enkele opvallende vederdelen heeft.  Enkele ondersoorten hebben een opvallend gele pet op de kop.  Anderen missen het geel op de kop.  De schouders en dijen zijn bij iedere ondersoort geel maar dit kan sterk variëren in hoeveelheid.  De stuit varieert van licht blauw tot uitgesproken helder blauw. Slechts één ondersoort heeft een groene stuit.  De buikkleur bezorgt de meeste kwekers kopzorgen omdat het heel moeilijk is om twee min  of meer gelijke vogels te vinden.  De ondersoorten zijn ook het beste te onderscheiden via de buikkleur en het geel op de kop.  De meeste jongen worden geboren zonder geel op de kop en met groene of blauwe (naargelang de ondersoort) zomen aan de vleugeldekveren.  Het geel op de kop vermeerdert bij iedere volgende ruibeurt tot de vogel echt volwassen is.  De ondersoorten van de meyer zijn via de buikkleur evenwichtig op te delen in 3 groene en 3 blauwe varianten.  Deze 2 groepen zijn ook te onderscheiden aan het geel aan de onderkant van de vleugels.  De blauwe groep heeft veel geel die soms de hele onderkant bestrijkt.  De groene groep heeft veel minder geel dat soms enkel voorkomt aan de onderkant van de elleboog.

Geslachtsonderscheid

De geslachten zijn niet van elkaar te onderscheiden zodat DNA of endoscopisch seken nodig is. De mannetjes kunnen wel wat forser zijn maar dit geeft nooit met zekerheid uitsluitsel omtrent het geslacht.

Groene groep:

·        Meyeri meyeri: de nominaat is, met zijn 21 cm., de kleinste ondersoort. De borst kleur is groen met (soms) een lichte grauwe aanslag. Het is niet zo dat ze een blauwgroene buikkleur hebben zoals in vele artikels staat. Het geel op de kop bereikt de huid boven de snavel niet.  Ook is de grondkleur vrij donker tot grijszwart.  De stuit is helder blauw.  In advertenties zien we vaak dat er meyeri meyeri worden aangeboden.  Bij onderzoek blijkt dat er geen meldingen zijn van importen uit het verspreidingsgebied van deze ondersoort.  Daaruit kunnen we afleiden dat de nominaat niet of nauwelijks voorhanden is. Wel kan het zijn dat er enkele vogels uit Zuid-Afrika bij privé-zendingen zijn binnengekomen. De vogels die op de ondersoort lijken zijn dan meestal kruisingen tussen matchiei en saturatus. Deze zijn dan ook groter dan de 21 cm die de nominaat heeft.

·        Meyeri saturatus: deze ondersoort is veelvuldig ingevoerd geweest maar men dacht dat het ging om poppen van de Matchei. Hierdoor zijn veel ‘koppels’ gevormd … maar ze kweekten niet omdat dat men soms met gelijke geslachten te doen had.  Hierdoor hebben de meyers een tijd lang een slechte naam gehad qua broedgedrag!                                              Deze ondersoort onderscheidt zich van de nominaat door zijn zuiver groene buikkleur die in het zonlicht een gele aanslag gaat vertonen.  Het geel op de kop reikt meestal tot aan de bovensnavel.  Ook is de ondersoort iets groter (23 cm) dan de nominaat.  De grondkleur is bruin.  Het grote verschil tussen saturatus en de nominaat is de stuitkleur.  Bij deze is de stuit groen zonder enig teken van blauw.

·        Meyeri reichenowi: met zijn 24-25 cm de grootste ondersoort van alle meyers. Ze hebben een groene buik die een licht blauwe aanslag kan hebben. Het opvallendste onderscheid is dat deze ondersoort absoluut geen  geel heeft op de kop.  De grondkleur is ongeveer gelijk aan saturatus en is bruingrijs.

Blauwe groep:

·        Meyeri matchiei: dit waren de zogezegde mannen bij de eerste import. Deze ondersoort onderscheidt zich met een diep blauwe buik. Het blauw reikt tot op de dijen. Het geel op de kop reikt tot tegen de bovensnavel al kan dit individueel verschillen. Deze ondersoort meet ongeveer 23 cm.  De grondkleur is grijszwart.

·        Meyeri transvaalensis: deze ondersoort heeft een fijn geel streepje over de kop van het ene oog naar het andere. Dit bandje lijkt op een potloodstreep die maximum 5 mm breed is. De buik is blauw maar iets lichter dan matchiei. De grondkleur is grijsbruin.

·        Meyeri damarensis: is te vergelijken met reichenowi maar heeft een blauwe buik.  Deze ondersoort heeft eveneens geen geel op de kop.  De grondkleur is vrij donker, donkergrijs tot zwart. Hij meet ongeveer 23 cm.

Biotoop

De meyerpapegaai heeft het grootste verspreidingsgebied van alle poicephalussen.  Ze betrekken de hoogtes, meestal vanaf 500 meter tot meer dan 1500 meter boven zeeniveau.  Ze verkiezen de randgebieden van de savanne en dicht bosgebied.  Ze komen meestal voor in specifieke boomsoorten (Faidherbia albida, Adansonia digitata en Tamarindus indica) waar ze vermoedelijk ook hun voedsel vinden.  De laatste aangegeven boomsoort draagt peulachtige vruchten.  Ook eten ze gras en onkruidzaden, fruitsoorten, vijgen, noten, bessen en granen. Ze pikken ook wel eens een insect mee als aanvulling van dierlijke eiwitten. Ze foerageren meestal in kleine groepen van 20 tot 30 individuen.

Kweek

In theorie moet de meyer 4-5 jaar zijn om te kweken.  Door de domesticatie is het soms mogelijk na 3 jaar.  Dit is niet altijd de regel en soms duurt het langer. Er zijn uitzonderingen bekend van 2 jaar.  Meestal gebeurt dit bij  jonge vogels  die gekoppeld werden aan oudere partners (vb. 2 jarige pop met een 6 jarige man). Indien man en pop te jong zijn en toch eitjes hebben zijn deze meestal onbevrucht.

De nestkasten worden meestal goed aanvaard.  Zowel  L-vormige als verticale, maar ook horizontale blokken worden met succes gebruikt.  Daar de meeste meyers in broedkooien zijn gehuisvest hebben ze meestal zelf gemaakte blokken tot hun beschikking.  Een natuurstam kan ook gebruikt worden, maar die is doorgaans minder handig voor inspectie in kweekkooien.

Een legsel bestaat meestal uit 3-4 eitjes. Oudere volwassen paren kunnen 5 eitjes hebben. Een eerste nestje is dikwijls onbevrucht of heeft 1 goed eitje. Op meer volwassen leeftijd lukt dat doorgaans beter en een volledig nestje van 4 bevruchte eitjes is dan geen uitzondering.  De meeste paren zijn goede ouders.  Uitzonderlijk kan het wel eens voorkomen dat de jongen niet gevoerd worden. Meestal gaat het hier dan om jonge oudervogels die ervaring missen.  Bij ervaren paren die het al meerdere keren tot een goed einde hebben gebracht kan het voorkomen dat de jongen verminkt worden met de dood tot gevolg.  De reden hiervoor is niemand bekend.  Latere nestjes kunnen dan wel weer probleemloos grootgebracht worden…

De pop broed alleen.  Het broeden duurt 24 tot 27 dagen.  Dit afhankelijk van de intensiviteit waarmee de pop broed.  Het is niet onwaarschijnlijk dat ook weersfactoren hier hun rol in spelen.  De jongen worden blind geboren met grijs dons.  De eerste weken worden ze gevoerd door de pop.  Zij wordt op haar beurt gevoerd door de man.  Na enkele weken worden de jongen mee gevoerd door de man. Wanneer de oogjes openen kun je de jongen ringen met een 7mm ring.

Appel is een favoriet voedsel dat gretig wordt opgenomen wanneer er jongen zijn.  Een goed afwisselend fruitmengsel, aangevuld met eivoer biedt de ouders de mogelijkheid hun jongen goed groot te brengen.  De jongen vliegen uit na      9 à 10 weken en zijn na 12 tot 14 weken zelfstandig.  In de kweekperiode kunnen de oudervogels best agressief zijn tegenover de verzorger.

 
De Meyer voorvader van alle Poicephalussen ?

Er wordt wel eens gezegd dat de meyerpapegaai de stichter en voorvader is van alle kleine poicephaluspapegaaien.  Als we dit nader onderzoeken, dan zien we dat zijn verspreidingsgebied inderdaad centraal ligt. Alle soorten liggen aangrenzend of overlappend aan dit gebied.  Qua uiterlijk kunnen we grove gelijkennissen zien met de ruppel- en roodbuikpapegaai.  In mindere mate met de senegal- en bruinkoppapegaai.  Waarschijnlijk zijn de afzonderlijke soorten doorheen x aantal generaties, in een ander leefgebied en met ander voedsel zich gaan onderscheiden in kleur.  De link met de jardine en kaapse papegaaien is niet direct uiterlijk merkbaar.  Wetenschappers hebben ze wel ingedeeld in dezelfde familie door de gelijkenissen in hun DNA structuur.